Leef je in: Barabbas
Leef je in: in Barabbas
Leef je uit: wie is hij in z'n ontmoeting met Jezus
Barabbas
Barabbas wordt door soldaten zijn cel uitgesleept.
“Het is over en uit, mijn laatste uur geslagen is geslagen”, zo denkt hij.
Enkele dagen geleden is hij met andere rebellen tijdens een bloedige opstand in Jeruzalem gegrepen en opgesloten. Met zijn korte dolk had hij ingestoken op iedereen die hem niet aanstond.
Andermans bloed heeft hij nog onder zijn nagels zitten en aan zijn overkleed kleven donker vlekken.
Woest rukt hij aan de ketting die om zijn enkels vastgeklonken zit, hij struikelt en vloekt.
Tot zijn verbazing wordt hij niet naar de executieplaats gebracht, maar naar de plaats waar recht gesproken wordt.
Barabbas ziet gouverneur Pilatus op de rechterstoel zitten. Het is een drukte van belang. Om hem heen verschillende dienaren.
Voor hem staan duidelijk herkenbaar enkele hogepriesters en andere schriftgeleerden van het Sanhedrin.
Barabbas gnuift en hervindt zijn oude bravoure. Wat doen al die hoge heren hier? Hij moet ze niet en hun vrome praatjes al helemaal niet.
Opgewonden lopen ze heen en weer voor Pilatus. Heftig bewegen ze hun armen omhoog en wild zwaaien de gebedskwasten heen en weer onderaan hun priesterkleden. Pilatus is gespannen en duidelijk geïrriteerd.
Plotseling gaat hij staan en roept: “Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat? Wat voor kwaad heeft hij eigenlijk gedaan?”
Met dat Pilatus zich naar een woest schreeuwende mensenmassa beweegt, ziet Barabbas een man staan.
Op zijn hoofd staat een doornenkroon, de scherpe doornen hebben bloedstrepen op zijn gezicht gemaakt.
Een rode, kapotte soldatenmantel hangt om zijn half ontblote lijf. Barabbas herkent daaronder geselstriemen.
Barabbas hoort de mensenmassa schreeuwen:” Kruisig hem, kruisig hem! Laat Barabbas vrij!”
Op dat moment kruisen de ogen van Jezus en Barabbas elkaar. Barabbas schrikt, zijn hart maakt een zware slag.
Hij kijkt weg van Jezus.
De angst en onrust van Pilatus kan hij hier op afstand ruiken. Hij onderhandelt met die joden, over … ja waarover.
Opnieuw kijkt Barabbas naar Jezus, hij moet gewoon wel naar hem kijken. Het lijkt wel of die Jezus dwars door al zijn vuiligheid heen kijkt. Meestal kijken de mensen hem met afschuw en walging in hun ogen aan. Maar deze man breekt zijn bravoure in no-time af. Barabbas voelt zich voor het eerst sinds jaren, weer als een kind worden. Hij de misdadiger voelt zich in zijn vuiligheid staan naast een man waarin geen onrecht is. Jezus staat daar ondanks zijn geschonden lichaam, zo zuiver. Door Barabbas flitst het heen: “Hij zou inderdaad de zoon van God kunnen zijn…”
Terwijl er een enorme heksenketel dicht bij hen afspeelt, gaat er een stille, koninklijke rust van Jezus uit. Barabbas heeft in de straten van Jeruzalem al dikwijls de mensen over Jezus horen praten:” Hij zou de Romeinen opruimen, hij zou de zoon van God zijn, hij zou de tempel afbreken….”. Alles speelt zich verder als een onwerkelijke film rond Barabbas af. Tot zijn eigen verbazing ziet Barabbas dat soldaten zijn voetenketting losmaken en hem met een reusachtige stoot de trappen afduwen.”Maak dat je wegkomt, grauwen ze hem toe”
Barabbas ziet grijnzende gezichten, hier en daar krijgt hij een klap op de schouder van de mensen die onderaan de trappen staan.
Hij maakt dat hij wegkomt. Maar hij is niet blij. Hij ziet steeds de ogen van Jezus voor zich. Er klopt iets niet, hij moet nadenken. Barabbas wil voor het eerst sinds lange tijd, nadenken over een mens, over een ander: De Mens, Jezus.
